Wie gaat er mee in de ambulance? Veel ging er onbewust, intuïtief die dag. Ik wist dat ik niet mee ging. Ik had de afstand nodig. Te dichtbij André blijven was gevaarlijk. Ik had me min of meer afgesloten en te dichtbij blijven betekende me aan hem hechten. En als het dan mis zou gaan, was het extra erg. Hier zit uiteraard geen enkele logica in, maar het was wel mijn overlevingsmechanisme en dat was goed.
Frank ging mee. Wat heerlijk! Frank, André zijn oom, die met Jeroen op de grond had zitten bidden. Oom Frank die zo'n rustige warme uitstraling heeft. Oom Frank die verstand heeft van ziekenhuizen en apparaten omdat hijzelf in het ziekenhuis werkt met de hart-long-bewakingsmasjien (of hoe dat soort ingewikkelde maar life-safing apparatuur ook mag heten).
Met wie ga ik in de auto naar het ziekenhuis? Op één of andere manier gingen de dingen vanzelf en precies zoals het goed was. Ik ging met Adrian en Daniëlle mee. In de auto, kaart kijken waar het ziekenhuis is. Afslag 10. We rijden het Emmaüs terrein af. Ik zie Helma richting camping lopen. Ik zwaai. Eerst rijden we nog achter de ambulance, maar algauw gaat hij harder en moeten wij kaart lezen.
Ik heb geen idee van tijd. Ik heb nog niks gegeten. Er liggen sultana's in de auto. Ik weet dat ik wat zou moeten eten, daarom pak ik er één. Het hapje voelt gortdroog in mijn mond. Ik krijg het niet weg.
Hoe voel ik me? Tussen hoop en vrees. Maar vooral vrees.
Het ziekenhuis in. Vragen naar de eerste hulp. Daar aan komen. Gelukkig zien we Frank staan. En dan moet ik aan Frank vragen of André er nog is. Ik weet het nog zo goed. "Frank? Is hij er nog?". Frank kijkt me aan met zijn lieve rustige ogen. "Ja hoor, het is goed gegaan". Ik weet niet meer wat hij mij nog meer vertelde. Ik weet wel dat hij mij rustig probeerde te vertellen wat ze allemaal met André aan het doen waren. Hij vertelde de waarheid, maar probeerde er ook hoop in te leggen. Frank vond het een goed ziekenhuis. Ze waren al meteen begonnen over de 'nieuwste' technieken over het koelen van het lichaam na reanimatie. Dan is er het minste kans op verdere beschadeging van het brein. Dat klonk goed. Een ziekenhuis die op de hoogte is van de nieuwste technieken. Frank vond dat ze het ook bekwaam deden op de Eerste Hulp. Mooi zo. André is in goede handen. Op één of andere manier voelde het alsof alles goed zou komen.
Ik mag even bij André kijken. Ook alweer een goed teken. Anders mocht je echt niet daar komen.
Daar ligt hij, mijn André. Zoals ik hem ken. Met alleen zijn onderbroek aan. Zijn zwarte Hema onderbroeken die hij het liefste droeg. Zijn benen, zijn buik, zijn armen, zijn handen, zijn gezicht. Allemaal zo bekend, allemaal zo vertrouwd. Daar ligt een stuk van mezelf. Aan apparaten, aan slangen waar dingen in en uit stromen.
Samen met Frank sta ik bij André zijn hoofdeinde, een apparaat waar zijn hartslag op te zien is. Frank legt me iets uit. Ik zeg tegen hem dat ik niet meer kan bidden nu. Hij legt een arm om mij heen. Hij zegt dat hij dat ook had na het overlijden van Mark, dat het niet geeft. Dat andere mensen dat nu doen en dat het vanzelf weer terug komt.
Ik wil daar niet meer zijn en we gaan weg.
We worden naar een wachtkamer gebracht. Daar komt een stukje Fleur terug. Het stukje Fleur van de humor. Ik kom namelijk rechtstreeks uit mijn bed. Wat voel ik me onaangekleed. Jogging broek, shirt met grote melkvlekken erin (ik gaf nog volledig borstvoeding aan Joris) en geen bh aan. Die had ik wel, tegelijk met wat spullen van André, in een tas gedaan. Dus in de wachtkamer roep ik iets over dat ik nu eindelijk even mijn bh ga aantrekken. Maar ik voelde me wel een stuk meer aangekleed.
Daar zitten we dan. Adrian, Daniëlle, Frank en ik. Twee ambulance verpleegkundigen komen naar ons toe. Ze komen even vertellen wat ze allemaal hebben gedaan en dat als we vragen hebben we altijd contact met ze kunnen opnemen.
Daar zitten we dan. Dan zegt iemand; 'moeten we niet gaan bellen?'. Mijn hemel; bellen! We moeten mensen gaan bellen. Een stukje van mij denkt; nee natuurlijk niet. Straks komt André weer bij, blijkt hij het nog helemaal te doen en dan gaan we eens wat mensen bellen, zodat we 's middags met zijn allen bij zijn bed zitten en vertellen wat er allemaal is gebeurd. André zal dan luisteren en vertellen wat en hoe hij het heeft beleefd.
Bellen. Mensen gaan bellen. Zijn ouders bellen. Dat betekent alweer dat het ernstig is. Maar natuurlijk moet er gebeld worden. Maar ik kan en wil het niet. André zijn ouders worden gebeld. Die zijn ook binnen Nederland op vakantie, dus zo in het ziekenhuis. André zijn broertje, die weet het al van neef Jeroen. Daardoor zijn zus José ook.
Mijn ouders. Mijn ouders! Die zijn op vakantie in Frankrijk en mijn hebben wel een mobiele telefoon. Maar André houdt dat soort dingen altijd bij. Hij heeft zo'n telefoon waar je ook mee kan koken (bij wijze van spreken....). Ik heb wel een mobiel. Maar dat is meer dat ik dan zelf kan bellen of dat school mij kan bereiken voor de kinderen. Bijna niemand heeft ook dat nummer en ik heb ook bijna niemand zijn nummer. Maar wonderlijker wijs heb ik toch het mobiele nummer van mijn vader. En ook nog van mijn zus, zowel thuis als mobiel.
Daniëlle belt mijn ouders, mijn ouders bellen mijn zus.
En dan.... dan weet ik het niet meer goed. Adrian en Frank gaan weg om 'iets'. Er komt een arts die mij en Daniëlle weer naar een ander kamertje brengt. André is intussen naar de Intensive Care gebracht. De arts praat met ons. Hij wil nogmaals weten wat er is gebeurd en wat de oorzaak zou kunnen zijn. Ze weten eigenlijk niet wat er is gebeurd. De ene arts zegt hartinfarct, de ander zegt van niet, want dan had je andere waardes weet ik veel waar moeten zien. Tot op de dag van vandaag is niet duidelijk waardoor André zijn hart ineens stopte met kloppen.
Bij het weggaan bij de arts zegt hij terwijl ik de gang op wil lopen nog wel dat er nog niks zeker is. Met nadruk zegt hij dat André ook nog zou kunnen overlijden.
We krijgen een familiekamer vlakbij waar André ligt. Daar gaan we zitten. Is Bart er inmiddels? En José? Was Henk er ineens? Ik weet niet meer of dat toen was of later op de dag. Er gebeurde zoveel dat ik de chronologie totaal kwijt ben.
Wel klopt het dat ze nu André gaan koelen. Ze brengen hem onder narcose, hij krijgt spierverslappers en brengen zijn temperatuur naar 32 (of 34?) graden. Dit zal 24 uur duren. Daarna gaan ze hem weer opwarmen en zal de narcose worden stopgezet. Dan pas kan André weer wakker worden.
We gaan bij hem kijken. Wat is dat spannend. Je geliefde te zien op zo'n ernstige afdeling. Ik loop binnen en zie hem liggen. Helemaal rustig, alsof hij slaapt. Hij voelt koud, want ja 32 graden is niet echt warm.
En dat op één van de warmste dagen van het jaar. Boven de 30 graden is het buiten. André had een hekel aan erg warm weer. Zweette zich bij het minst of geringste rot. En nu, op zo'n bloed hete dag, lag André in een ziekenhuis bed en werd zijn lijf (ijs)koud gehouden.
Er is veel meer te schrijven, er gebeurde zoveel. Maar deze dag beschrijven had ik nodig voor mezelf. Om de gebeurtenissen en de emoties boven te laten komen. Om ze weer te ervaren. Met trillende handen heb ik dit en het vorige stukje geschreven, omdat ik er eigenlijk niet aan wil. Maar ik weet dat het goed is om te schrijven.