Nóg meer van mij?!!

woensdag 12 augustus 2009

31 juli 2008 (deel 2)

Wie gaat er mee in de ambulance? Veel ging er onbewust, intuïtief die dag. Ik wist dat ik niet mee ging. Ik had de afstand nodig. Te dichtbij André blijven was gevaarlijk. Ik had me min of meer afgesloten en te dichtbij blijven betekende me aan hem hechten. En als het dan mis zou gaan, was het extra erg. Hier zit uiteraard geen enkele logica in, maar het was wel mijn overlevingsmechanisme en dat was goed.
Frank ging mee. Wat heerlijk! Frank, André zijn oom, die met Jeroen op de grond had zitten bidden. Oom Frank die zo'n rustige warme uitstraling heeft. Oom Frank die verstand heeft van ziekenhuizen en apparaten omdat hijzelf in het ziekenhuis werkt met de hart-long-bewakingsmasjien (of hoe dat soort ingewikkelde maar life-safing apparatuur ook mag heten).

Met wie ga ik in de auto naar het ziekenhuis? Op één of andere manier gingen de dingen vanzelf en precies zoals het goed was. Ik ging met Adrian en Daniëlle mee. In de auto, kaart kijken waar het ziekenhuis is. Afslag 10. We rijden het Emmaüs terrein af. Ik zie Helma richting camping lopen. Ik zwaai. Eerst rijden we nog achter de ambulance, maar algauw gaat hij harder en moeten wij kaart lezen.
Ik heb geen idee van tijd. Ik heb nog niks gegeten. Er liggen sultana's in de auto. Ik weet dat ik wat zou moeten eten, daarom pak ik er één. Het hapje voelt gortdroog in mijn mond. Ik krijg het niet weg.
Hoe voel ik me? Tussen hoop en vrees. Maar vooral vrees.

Het ziekenhuis in. Vragen naar de eerste hulp. Daar aan komen. Gelukkig zien we Frank staan. En dan moet ik aan Frank vragen of André er nog is. Ik weet het nog zo goed. "Frank? Is hij er nog?". Frank kijkt me aan met zijn lieve rustige ogen. "Ja hoor, het is goed gegaan". Ik weet niet meer wat hij mij nog meer vertelde. Ik weet wel dat hij mij rustig probeerde te vertellen wat ze allemaal met André aan het doen waren. Hij vertelde de waarheid, maar probeerde er ook hoop in te leggen. Frank vond het een goed ziekenhuis. Ze waren al meteen begonnen over de 'nieuwste' technieken over het koelen van het lichaam na reanimatie. Dan is er het minste kans op verdere beschadeging van het brein. Dat klonk goed. Een ziekenhuis die op de hoogte is van de nieuwste technieken. Frank vond dat ze het ook bekwaam deden op de Eerste Hulp. Mooi zo. André is in goede handen. Op één of andere manier voelde het alsof alles goed zou komen.
Ik mag even bij André kijken. Ook alweer een goed teken. Anders mocht je echt niet daar komen.

Daar ligt hij, mijn André. Zoals ik hem ken. Met alleen zijn onderbroek aan. Zijn zwarte Hema onderbroeken die hij het liefste droeg. Zijn benen, zijn buik, zijn armen, zijn handen, zijn gezicht. Allemaal zo bekend, allemaal zo vertrouwd. Daar ligt een stuk van mezelf. Aan apparaten, aan slangen waar dingen in en uit stromen.
Samen met Frank sta ik bij André zijn hoofdeinde, een apparaat waar zijn hartslag op te zien is. Frank legt me iets uit. Ik zeg tegen hem dat ik niet meer kan bidden nu. Hij legt een arm om mij heen. Hij zegt dat hij dat ook had na het overlijden van Mark, dat het niet geeft. Dat andere mensen dat nu doen en dat het vanzelf weer terug komt.
Ik wil daar niet meer zijn en we gaan weg.

We worden naar een wachtkamer gebracht. Daar komt een stukje Fleur terug. Het stukje Fleur van de humor. Ik kom namelijk rechtstreeks uit mijn bed. Wat voel ik me onaangekleed. Jogging broek, shirt met grote melkvlekken erin (ik gaf nog volledig borstvoeding aan Joris) en geen bh aan. Die had ik wel, tegelijk met wat spullen van André, in een tas gedaan. Dus in de wachtkamer roep ik iets over dat ik nu eindelijk even mijn bh ga aantrekken. Maar ik voelde me wel een stuk meer aangekleed.

Daar zitten we dan. Adrian, Daniëlle, Frank en ik. Twee ambulance verpleegkundigen komen naar ons toe. Ze komen even vertellen wat ze allemaal hebben gedaan en dat als we vragen hebben we altijd contact met ze kunnen opnemen.
Daar zitten we dan. Dan zegt iemand; 'moeten we niet gaan bellen?'. Mijn hemel; bellen! We moeten mensen gaan bellen. Een stukje van mij denkt; nee natuurlijk niet. Straks komt André weer bij, blijkt hij het nog helemaal te doen en dan gaan we eens wat mensen bellen, zodat we 's middags met zijn allen bij zijn bed zitten en vertellen wat er allemaal is gebeurd. André zal dan luisteren en vertellen wat en hoe hij het heeft beleefd.
Bellen. Mensen gaan bellen. Zijn ouders bellen. Dat betekent alweer dat het ernstig is. Maar natuurlijk moet er gebeld worden. Maar ik kan en wil het niet. André zijn ouders worden gebeld. Die zijn ook binnen Nederland op vakantie, dus zo in het ziekenhuis. André zijn broertje, die weet het al van neef Jeroen. Daardoor zijn zus José ook.
Mijn ouders. Mijn ouders! Die zijn op vakantie in Frankrijk en mijn hebben wel een mobiele telefoon. Maar André houdt dat soort dingen altijd bij. Hij heeft zo'n telefoon waar je ook mee kan koken (bij wijze van spreken....). Ik heb wel een mobiel. Maar dat is meer dat ik dan zelf kan bellen of dat school mij kan bereiken voor de kinderen. Bijna niemand heeft ook dat nummer en ik heb ook bijna niemand zijn nummer. Maar wonderlijker wijs heb ik toch het mobiele nummer van mijn vader. En ook nog van mijn zus, zowel thuis als mobiel.
Daniëlle belt mijn ouders, mijn ouders bellen mijn zus.

En dan.... dan weet ik het niet meer goed. Adrian en Frank gaan weg om 'iets'. Er komt een arts die mij en Daniëlle weer naar een ander kamertje brengt. André is intussen naar de Intensive Care gebracht. De arts praat met ons. Hij wil nogmaals weten wat er is gebeurd en wat de oorzaak zou kunnen zijn. Ze weten eigenlijk niet wat er is gebeurd. De ene arts zegt hartinfarct, de ander zegt van niet, want dan had je andere waardes weet ik veel waar moeten zien. Tot op de dag van vandaag is niet duidelijk waardoor André zijn hart ineens stopte met kloppen.
Bij het weggaan bij de arts zegt hij terwijl ik de gang op wil lopen nog wel dat er nog niks zeker is. Met nadruk zegt hij dat André ook nog zou kunnen overlijden.
We krijgen een familiekamer vlakbij waar André ligt. Daar gaan we zitten. Is Bart er inmiddels? En José? Was Henk er ineens? Ik weet niet meer of dat toen was of later op de dag. Er gebeurde zoveel dat ik de chronologie totaal kwijt ben.

Wel klopt het dat ze nu André gaan koelen. Ze brengen hem onder narcose, hij krijgt spierverslappers en brengen zijn temperatuur naar 32 (of 34?) graden. Dit zal 24 uur duren. Daarna gaan ze hem weer opwarmen en zal de narcose worden stopgezet. Dan pas kan André weer wakker worden.

We gaan bij hem kijken. Wat is dat spannend. Je geliefde te zien op zo'n ernstige afdeling. Ik loop binnen en zie hem liggen. Helemaal rustig, alsof hij slaapt. Hij voelt koud, want ja 32 graden is niet echt warm.
En dat op één van de warmste dagen van het jaar. Boven de 30 graden is het buiten. André had een hekel aan erg warm weer. Zweette zich bij het minst of geringste rot. En nu, op zo'n bloed hete dag, lag André in een ziekenhuis bed en werd zijn lijf (ijs)koud gehouden.



Er is veel meer te schrijven, er gebeurde zoveel. Maar deze dag beschrijven had ik nodig voor mezelf. Om de gebeurtenissen en de emoties boven te laten komen. Om ze weer te ervaren. Met trillende handen heb ik dit en het vorige stukje geschreven, omdat ik er eigenlijk niet aan wil. Maar ik weet dat het goed is om te schrijven.

Weduwe

Er zijn aan het 'weduwe zijn' niet zo heel veel dingen te veranderen. De pijn, het verdriet, dat waar je allemaal doorheen mag (moet) gaan. Kwestie van maar ondergaan anders brengt het je helemaal nergens. Alleen maar dat de pijn en het verdriet er in alle hevigheid blijft.

En dat is best frustie zullen we maar zeggen. Het feit dat je dáár niet zoveel aan kunt doen.

En weet je wat ik dan wil?
Schoppen tegen kleine futiliteiten. Gewoon omdat je dan wel iets kunt doen.
En dat ga ik nu even doen.

Dat schoppen.
En recalcitranteren (geen woord, maar juist daarom!).
En futiliseren (ook lekker geen woord. PUH!).

Het gaat om het volgende:
Het woord weduwe.


BRRRRRRRRRRRRRRRRRRRRRRRRRRRR!!!!!!!!!


Ik zocht er een plaatje bij op google. Dat er een beetje uitzag wat het woord weduwe bij mij oproept. Nou ik vond een hoop, maar geen plaatje die mijn lading dekt.

Ja eentje. Maar dat was een plaatje van de weduwe van Hitler ofzo of één of andere nsb'er. Vond ik ook weer net iets te eh......
Dus dan maar even hier en bij deze:

Ik heb een gruwelijke grafse kotshekel aan het woord weduwe.


Kijk: zo kan een weduwe (en haar weduwnaar) er (ook) uit zien:

dinsdag 11 augustus 2009

Vorig jaar...

...om deze tijd wist ik dat je de volgende dag zou gaan sterven..........

(dat is dit jaar natuurlijk een dagje later, maar vorig jaar was 'het' op een dinsdag)

maandag 10 augustus 2009

"tussentijdse evaluatie"




Someone put a lock on this old door
It's been beaten up and used and more
It's been kicked a hundred thousand times
Keeping all the memories behind

If you read the lines between the paint
Look beyond the cracks that store away
It's hidden in the windows of the walls
Right behind the eyes that saw it all

Given all the facts of circumstance
I did not believe that a romance
Would show itself in all this dark and blue
That's the only place I ever knew

You put me outside my safety-zone
Outside all the lines that made my home
To find out that no one really lives
Without giving what it is you give

A miracle looking in my life
A mirror-ball showing me all these faces
A miracle looking in my life, after all
A miracle looking in my life
A mirror-ball showing me all these faces
A miracle A miracle A miracle

I've been living underneath my skin
Everything I felt I kept it in
It carried all the words without a sound
It got me, it almost got too loud

But now that my arms are holding on
To someone as sacred as a song
To the one who wants to be my own
I have found that blood can come from stone

A miracle looking in my life
A mirror-ball showing me all these faces
A miracle looking in my life, after all
A miracle looking in my life
A mirror-ball showing me all these faces
A miracle A miracle A miracle


A miracle looking in my life
A mirror-ball showing me all these faces
A miracle looking in my life, after all
A miracle looking in my life
A mirror-ball showing me all these faces
A miracle looking in my life, after all
A miracle looking in my life
A mirror-ball showing me all these faces
A miracle A miracle A miracle

Someone put a lock on this old door
It's been beaten up and used and more
It's been kicked a hundred thousand times
Keeping all the memories behind

donderdag 23 juli 2009

31 juli 2008 (deel 1)

Het was warm geweest 's nachts en het beloofde weer een warme dag te worden. Het grote raam waar André en ik naast sliepen stond open.
Joris was een paar keer wakker geweest 's nachts voor een voeding en ook nu had ik 'm lekker naast me gelegd en drinken gegeven.
Kortom, we werden zo'n beetje officieel wakker. Zeker toen Fiene en Merel hun neuzen in de caravan lieten zien.
Naast de caravan had André zoals elk jaar de hangmat opgehangen. Arwen was er even in gaan zitten om te schommelen, Daniëlle stond er naast. André riep met een quasi boze stem: "wie zit daar in mijn hangmat?!" Om met een grote lach aan Arwen te laten zien dat hij had was die riep en een grapje maakte.
André sloeg de dekens van hem af en verzuchtte dat hij weer helemaal was lekgeprikt deze nacht en begon een zalfje op de jeukplekjes te smeren.
Daarna of misschien wel daarvoor, maar dat weet ik niet meer zo precies, speelde en knuffelde hij nog even met Joris. Uiteraard wilden Fiene en Merel ook op het grote bed zitten.
Ik begon iedereen een beetje aan te sporen om aan te kleden. André zou met de kinderen naar de eettent gaan en dan zou ik nog even wat verder kunnen slapen. Fiene was al aangekleed en ik vroeg haar om Merel even mee te nemen naar hun tentje om haar te helpen aankleden. Joris nam ik weer in mijn armen.

André zat naast me op het bed en ging in één keer weer liggen. In een flits dacht ik nog wat een flauwe grap dat was, hij zou immers gaan aankleden en ik was wat ongeduldig, want moe. Ik had al weken geen nacht meer doorgeslapen en wilde ook nu gauw dat kleine uurtje slaap dat mij nog te lonken stond gaan pakken.
Maar hoewel ik half dacht dat hij een grap maakte, zag ik ook half dat hij geen grap maakte. Met een soort oerstem riep ik naar André en stootte hem aan; "André! Wat doe je?! André!!"

Slaperig kwam hij weer overeind. Suffig en een beetje geërgerd zei hij tegen mij: "Doe eens rustig?!". Ik dacht en wilde zeggen: "Ja hallo, jij doet ineens zo raar!", toen hij voor de tweede keer weer liggend in bed viel. Dit keer begon hij meteen zwaar te ademen met een grommend geluid en vlokken speeksel kwamen bij zijn mondhoeken. Dit was heel duidelijk foute boel.
Joris in mijn armen riep ik naar Fiene die inmiddels half in de caravandeur opening stond dat ze hulp moest halen.
Fiene rende naar de deur van de voortent waar Mariet al bijna bij onze caravan stond. Door het open raam had ze mij al horen roepen en direct gehoord dat het niet goed was.
Ze wierp een blik naar binnen. Ik zal nog wel iets gezegd hebben, maar dat weet ik niet meer. Mariet zag dat dit iets was voor Wout en hij stond er bijna meteen. Mariet zei stellig en ernstig tegen mij: "Geef Joris maar hier". Zonder na denken deed ik dat. Ze nam ook Fiene en Merel mee.

Wout ging bij André zitten en riep hem, sloeg op zijn gezicht en voelde zijn pols. Of hij nu zei bel 112 of dat ik dat zelf suggereerde weet ik niet meer. Wel weet ik dat ik mijn mobiel pakte en 112 belde. Het gesprek liep voor mij in een waas. Ik zei dat ik een ambulance nodig had. Waar? Wist ik veel?! Maar Patricia stond bij de caravandeur en hielp me met het adres opnoemen. Inmiddels was Wout ook begonnen met reanimeren. Soms ademde André nog heel even met die diepe grom, maar dat was meer even. Ik vertelde dat ook aan de telefoon, daardoor stuurden ze vrijwel direct ook een tweede ambulance. Ondertussen vroeg hij mij van alles over André. Wat er was gebeurd en wat de oorzaak was. Ik kon nauwelijks echt dingen verzinnen. Behalve dan dat hij had gezegd dat hij was gestoken vannacht en dat hij last had van hooikoorts. Wellicht een heftige allergische reactie? En Wout was alleen aan het reanimeren. Ik weet niet meer wat ik dacht, maar terwijl ik ook nog aan de telefoon was met 112 liep ik naar buiten. Daar zag ik Martin fietsen. Ik riep hem en zei hem dat hij naar de caravan moest omdat het niet goed ging met André. "Zo" dacht ik "nu is Wout niet meer alleen". Ik geloof dat ik toen ook zo'n beetje het telefoongesprek had afgerond, het wachten was op de ambulance.

Ik keek naar Wout en Martin bezig met het reanimeren van André. Ik riep André nog een paar keer. Met heel veel duidelijkheid zei ik hem dat hij wakker moest worden. "We hebben je nodig!" heb ik een paar keer tegen hem gezegd.
Ik stond naast Patricia en ineens wilde ik niet meer daar staan kijken. Ik zei tegen haar: "Ik hoef hier toch niet naar te kijken?" "Nee" zei ze en ze nam me mee naar de overkant naar de caravan van Wout en Mariet. Daar zaten ook Fiene en Merel. Fiene met Jelmer en Maartje geloof ik. Merel bij Mariet en ook Jolanda was erbij. Later was ook Daniëlle er en Pien en Manuelle.

Fiene wilde graag weg. Dat was prima. Die bleef onder de hoede van Jelmer en Maartje en hebben die dag en de dagen daarna heel goed voor haar gezorgd. Merel kwam bij mij op schoot en zo was het wachten. De ambulance kwam. Frank kwam, nog een paar mannen. Ze keken ernstig. Wout mocht door blijven reanimeren van het ambulancepersoneel want hij deed het goed. De anderen die ook zo graag wat wilden doen gingen naast onze caravan staan waar André voor zijn leven vocht. Ze gaven elkaar een hand en gingen bidden.
Fijn om te zien en tegelijkertijd schreeuwde ik van binnen dat ik dat niet wilde. Want als al die mensen daar gingen staan bidden (Frank en Jeroen gingen op een gegeven moment zelfs op hun knieën. "NEE!" was alles wat ik dacht) dan was het dus echt ernstig. En niet die ene injectie die André nodig had om een één of andere vage allergische reactie te doen tegengaan.

En toch was ik heel rustig. Toen ik van onze caravan naar de caravan van Wout en Mariet liep, dacht ik heel stellig; "Ik kan het wel alleen". Ik wist dat ik me allang bij het ergste had neergelegd. Voor mij was het wel duidelijk, hoewel dat een deel was van mij. Het andere deel dacht dat alles gewoon goed zou komen.
Tijdens het wachten zei ik niet tegen iemand in het bijzonder: "Ergens heb ik altijd gedacht dat zoiets zou gebeuren". Pien zei: "Ja maar ik niet!". En zo werd het niet meer alleen André en ik die aan het vechten waren voor ons leven, maar van iedereen die daar was en van hem hield. En wat waren we daar met velen en wat was ik ontzettend niet alleen.

Een ambulance verpleegkundige kwam naar me toe. Ze vroeg of de kinderen even meegenomen konden worden. Jolanda ging met Joris en Merel weg. De vrouw knielde bij mij neer en vertelden wat ze met André aan het doen waren. Ze vertelde ook dat ze al van alles hadden gedaan, maar dat hij nergens op reageerde. Ze zouden zo gaan stoppen met reanimeren en toen zei ze, ik hoor de woorden nog letterijk in mijn hoofd: "dan hebben we de situatie dat uw man overleden is." Ik zei: "Ik begrijp het". Zij zei tegen de anderen of ze me even goed in de gaten wilden houden, want ik had het duidelijk niet goed gehoord en was volgens haar in shock. Nu zal ik ongetwijfeld ergens in shock zijn geweest, maar ik had dondersgoed gehoord wat ze had gezegd. Alleen was mijn lijf en hoofd mijn eigen hart aan het beschermen om het komende uur door te komen.
Nog één keer vroeg ze wat voor een allergie tabletten André slikte en ik rende met haar mee naar onze tent om ze te laten zien. Ze riep tegen haar collega's iets en ze spoten nog een laatste injectie in André.

Zijn hart begon weer te kloppen.

En is het tot zijn dood blijven doen.

zaterdag 18 juli 2009

Op vakantie gaan

Het is niet bedoeld om het zoveelste verhaal te vertellen over hoe ellendig mijn leven wel niet is. Het is 'gewoon' dat er zoveel pijn zit die er dus gewoon zit. En waarom ik hier op mijn eigen blog me zit te verantwoorden voor wat ik schrijf is me zelf ook een raadsel.


Weet je hoe het voelt om met zijn vijfen op vakantie te gaan....

en dan met zijn vieren weer thuis te komen?

dinsdag 14 juli 2009

Kijk,

daar heb je 'm weer.

Logischer wijs zou ik 'm hier elk jaar wel neer kunnen zetten. Het is een foto van mijn trouwdag. Dat was 11 juli 1997. Dus zet je op je blog elk jaar die foto (of scan je eens wat andere in zodat de lieve lezers ook eens een andere trouwfoto zien). En daar zet je dan bij: vandaag 12 jaar getrouwd!

Maar ja. Het zullen er altijd (maar) 11 blijven.